1Groninger Maatschappij van Landbouw, afd. Beerta, Boerderijen en hun bewoners (Verschenen eind 1968), BBB 51 blz. 133, Drukkerij en Uitgeversbedrijf J.D. van der Veen N.V., Winschoten.
"Uitgegeven ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan (1842 - 1967).".2Dr. Ir. G. Schansker en Petronella J.C. Elema, De oorsprong en verwantschappen van een Gronings geslacht Brouwer (De Nederlandsche Leeuw, 2003 kol. 201 - 232 & 279 - 310), kol. 229 - 231, 27-5-1727, Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde, Postbus 85630, 2508 CH 's-Gravenhage, ISSN: 0028-226X.
"Nakomelingen en andere familiebetrekkingen van Arend Lamberts en Syben Luitjens te Zuidbroek.".
"Aan bruidszijde de kerkvoogd Luitjen Tonnis en Christina Placius als vader en moeder, verder nog Hindrik, Bronno en Wendeltje als broers en zuster, Arent Tonnys en Antje Alles respectievelijk Tjakko Tonnys en Anna Tiddes, ooms en aangetrouwde tantes, en Roelf Eltjes, van Noordbroek, zoon van Eltje Hommes en Frieke Ebels."3Dr. Ir. G. Schansker en Petronella J.C. Elema, De oorsprong en verwantschappen van een Gronings geslacht Brouwer, kol. 229 - 231, 27-5-1727.
1Groninger Maatschappij van Landbouw, afd. Beerta, Boerderijen en hun bewoners (Verschenen eind 1968), BBB 51 blz. 133, Drukkerij en Uitgeversbedrijf J.D. van der Veen N.V., Winschoten.
"Uitgegeven ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan (1842 - 1967).".2Dr. Ir. G. Schansker en Petronella J.C. Elema, De oorsprong en verwantschappen van een Gronings geslacht Brouwer (De Nederlandsche Leeuw, 2003 kol. 201 - 232 & 279 - 310), kol. 229 - 231, 8-7-1703, Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde, Postbus 85630, 2508 CH 's-Gravenhage, ISSN: 0028-226X.
"Nakomelingen en andere familiebetrekkingen van Arend Lamberts en Syben Luitjens te Zuidbroek.".3Dr. Ir. G. Schansker en Petronella J.C. Elema, De oorsprong en verwantschappen van een Gronings geslacht Brouwer, kol. 229 - 231, 27-5-1727.
"Aan bruidszijde de kerkvoogd Luitjen Tonnis en Christina Placius als vader en moeder, verder nog Hindrik, Bronno en Wendeltje als broers en zuster, Arent Tonnys en Antje Alles respectievelijk Tjakko Tonnys en Anna Tiddes, ooms en aangetrouwde tantes, en Roelf Eltjes, van Noordbroek, zoon van Eltje Hommes en Frieke Ebels."
1Drs. O.D.J. Roemeling, Oldambster geslachten (De Nederlandsche Leeuw), § XV, kol. 277 - 284, Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde, Postbus 85630, 2508 CH 's-Gravenhage.
1980, kol. 1 - 28, § I Tiddinga
1980, kol. 213 - 248, § II Huninga (van Oostwold), zie ook NL 1963 kol. 105 - 106
1984, kol. 133 - 152, § IX Doedens
1985, kol. 410 - 445, § X Bauckens - Gockinga II
1986, kol. 449 - 489, § XI Wigboldus / Poppens
1987, kol. 22 - 30, § XII Elties II
1987, kol. 90 - 94, § XIII Luwert Egberts en zijn nageslacht
1987, kol. 253 - 260, § XIV Boelo Boelens en zijn nageslacht
1987, kol. 261 - 295, § XV Hewens / Tonckens
1988, kol. 9 - 25, § XVI Wypckens
1988, kol. 25 - 36, § XVII Hayens
1988, kol. 228 - 247, § XVIII Hayens / Matthiae
1988, kol. 363 - 384, § XIX Tonckens
1989, kol. 344 - 356, § XX Fockens / Hoysum
1989, kol. 357 - 369, § XXI Sybelkens (kol. 369 niet verwerkt)
1990, kol. 65 - 86, § XXII Waldricks
1990, kol. 87 - 98, § XXIII Meeckens / Tonkes
1990, kol. 98 - 105, § XXIV Hayens / Eppens
1996, kol. 177 - 185, Brontsema (aanvulling op 'Oldambster geslachten').2Drs. O.D.J. Roemeling, Oldambster geslachten, § XV, kol. 287 - 288, --1623.
3Drs. O.D.J. Roemeling, Oldambster geslachten, § XV, kol. 287 - 288, 21-12-1691.
4Drs. O.D.J. Roemeling, Oldambster geslachten, § XV, kol. 277 - 284, --1645.
5Drs. O.D.J. Roemeling, Oldambster geslachten, § XV, kol. 287 - 288, --1645.
6Drs. O.D.J. Roemeling, Oldambster geslachten, § XV, kol. 287 - 288, --1640.
7Drs. O.D.J. Roemeling, Oldambster geslachten, § XV, kol. 287 - 288, 18-9-1644.
8Drs. O.D.J. Roemeling, Oldambster geslachten, § XV, kol. 287 - 288, --1645.
9Drs. O.D.J. Roemeling, Oldambster geslachten, § XV, kol. 287 - 288, -2-1647.
10Drs. O.D.J. Roemeling, Oldambster geslachten, § XV, kol. 287 - 288, 4-6-1647.
11Drs. O.D.J. Roemeling, Oldambster geslachten, § XV, kol. 287 - 288, 5-3-1648.
Midwolderhamrik is het latere Nieuwolda.12Drs. O.D.J. Roemeling, Oldambster geslachten, § XV, kol. 287 - 288.
13Drs. O.D.J. Roemeling, Oldambster geslachten, § XV, kol. 287 - 288, 13-5-1677.
Beroepen op 9-8-1676.
1Drs. O.D.J. Roemeling, Oldambster geslachten (De Nederlandsche Leeuw), § XV, kol. 277 - 284, 29-3-1658, Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde, Postbus 85630, 2508 CH 's-Gravenhage.
1980, kol. 1 - 28, § I Tiddinga
1980, kol. 213 - 248, § II Huninga (van Oostwold), zie ook NL 1963 kol. 105 - 106
1984, kol. 133 - 152, § IX Doedens
1985, kol. 410 - 445, § X Bauckens - Gockinga II
1986, kol. 449 - 489, § XI Wigboldus / Poppens
1987, kol. 22 - 30, § XII Elties II
1987, kol. 90 - 94, § XIII Luwert Egberts en zijn nageslacht
1987, kol. 253 - 260, § XIV Boelo Boelens en zijn nageslacht
1987, kol. 261 - 295, § XV Hewens / Tonckens
1988, kol. 9 - 25, § XVI Wypckens
1988, kol. 25 - 36, § XVII Hayens
1988, kol. 228 - 247, § XVIII Hayens / Matthiae
1988, kol. 363 - 384, § XIX Tonckens
1989, kol. 344 - 356, § XX Fockens / Hoysum
1989, kol. 357 - 369, § XXI Sybelkens (kol. 369 niet verwerkt)
1990, kol. 65 - 86, § XXII Waldricks
1990, kol. 87 - 98, § XXIII Meeckens / Tonkes
1990, kol. 98 - 105, § XXIV Hayens / Eppens
1996, kol. 177 - 185, Brontsema (aanvulling op 'Oldambster geslachten').2Drs. O.D.J. Roemeling, Oldambster geslachten, § XV, kol. 287 - 288, 29-3-1658.
3Drs. O.D.J. Roemeling, Oldambster geslachten, § XV, kol. 277 - 284, --1645.
4Drs. O.D.J. Roemeling, Oldambster geslachten, § XV, kol. 287 - 288, --1645.
1Drs. O.D.J. Roemeling, Oldambster geslachten (De Nederlandsche Leeuw), § XV, kol. 277 - 284, Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde, Postbus 85630, 2508 CH 's-Gravenhage.
1980, kol. 1 - 28, § I Tiddinga
1980, kol. 213 - 248, § II Huninga (van Oostwold), zie ook NL 1963 kol. 105 - 106
1984, kol. 133 - 152, § IX Doedens
1985, kol. 410 - 445, § X Bauckens - Gockinga II
1986, kol. 449 - 489, § XI Wigboldus / Poppens
1987, kol. 22 - 30, § XII Elties II
1987, kol. 90 - 94, § XIII Luwert Egberts en zijn nageslacht
1987, kol. 253 - 260, § XIV Boelo Boelens en zijn nageslacht
1987, kol. 261 - 295, § XV Hewens / Tonckens
1988, kol. 9 - 25, § XVI Wypckens
1988, kol. 25 - 36, § XVII Hayens
1988, kol. 228 - 247, § XVIII Hayens / Matthiae
1988, kol. 363 - 384, § XIX Tonckens
1989, kol. 344 - 356, § XX Fockens / Hoysum
1989, kol. 357 - 369, § XXI Sybelkens (kol. 369 niet verwerkt)
1990, kol. 65 - 86, § XXII Waldricks
1990, kol. 87 - 98, § XXIII Meeckens / Tonkes
1990, kol. 98 - 105, § XXIV Hayens / Eppens
1996, kol. 177 - 185, Brontsema (aanvulling op 'Oldambster geslachten').2Drs. O.D.J. Roemeling, Oldambster geslachten, § XV, kol. 277 - 284, 12-5-1623.
1Drs. O.D.J. Roemeling, Oldambster geslachten (De Nederlandsche Leeuw), § XV, kol. 277 - 284, Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde, Postbus 85630, 2508 CH 's-Gravenhage.
1980, kol. 1 - 28, § I Tiddinga
1980, kol. 213 - 248, § II Huninga (van Oostwold), zie ook NL 1963 kol. 105 - 106
1984, kol. 133 - 152, § IX Doedens
1985, kol. 410 - 445, § X Bauckens - Gockinga II
1986, kol. 449 - 489, § XI Wigboldus / Poppens
1987, kol. 22 - 30, § XII Elties II
1987, kol. 90 - 94, § XIII Luwert Egberts en zijn nageslacht
1987, kol. 253 - 260, § XIV Boelo Boelens en zijn nageslacht
1987, kol. 261 - 295, § XV Hewens / Tonckens
1988, kol. 9 - 25, § XVI Wypckens
1988, kol. 25 - 36, § XVII Hayens
1988, kol. 228 - 247, § XVIII Hayens / Matthiae
1988, kol. 363 - 384, § XIX Tonckens
1989, kol. 344 - 356, § XX Fockens / Hoysum
1989, kol. 357 - 369, § XXI Sybelkens (kol. 369 niet verwerkt)
1990, kol. 65 - 86, § XXII Waldricks
1990, kol. 87 - 98, § XXIII Meeckens / Tonkes
1990, kol. 98 - 105, § XXIV Hayens / Eppens
1996, kol. 177 - 185, Brontsema (aanvulling op 'Oldambster geslachten').2Drs. O.D.J. Roemeling, Oldambster geslachten, § XV, kol. 277 - 284, 12-5-1623.
1J.W. Schaap, De heren van Ruinen en hun heerlijkheid (Nederlandse Leeuw CD-Rom, ISBN 90-800382-8-8), 1981, kol. 276, 4-7-1291, Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde, Postbus 85630, 2508 CH 's-Gravenhage.
"De bisschoppen van Utrecht hadden in de hoge en late Middeleeuwen een sterke band met Drenthe. Tijdens het episcopaat van Herbert van Bierum (of wellicht: van Wierum, 1139 - 1150) stelde de bisschop zijn ene broer Lefferd aan tot prefect van Groningen en de omringende Noorddrentse gebieden en een andere broer Lodolf tot prefect van Coevorden met jurisdictie over de rest van Drenthe. De Coevordense prefecten en de groeiende stad Groningen stelden zich steeds onafhankelijker op tegenover de bisschoppen, met als gevolg eeuwenlange moeilijkheden en strijd.
Afzijdig van deze strijdgebieden bevond zich in het zuidwesten van Drenthe een heerlijkheid Ruinen. Deze heerlijkheid heeft zich in een veel rustiger bestaan kunnen verheugen."
Letterlijke citaten zijn grotendeels als annotatie overgenomen, wegens het familierelatie bewijs dat in de tekst beschreven staat.2J.W. Schaap, De heren van Ruinen en hun heerlijkheid, 1981, kol. 278, Abt--1260.
3J.W. Schaap, De heren van Ruinen en hun heerlijkheid, 1981, kol. 276, 4-7-1291.
1J.W. Schaap, De heren van Ruinen en hun heerlijkheid (Nederlandse Leeuw CD-Rom, ISBN 90-800382-8-8), 1981, kol. 276, 4-7-1291, Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde, Postbus 85630, 2508 CH 's-Gravenhage.
"De bisschoppen van Utrecht hadden in de hoge en late Middeleeuwen een sterke band met Drenthe. Tijdens het episcopaat van Herbert van Bierum (of wellicht: van Wierum, 1139 - 1150) stelde de bisschop zijn ene broer Lefferd aan tot prefect van Groningen en de omringende Noorddrentse gebieden en een andere broer Lodolf tot prefect van Coevorden met jurisdictie over de rest van Drenthe. De Coevordense prefecten en de groeiende stad Groningen stelden zich steeds onafhankelijker op tegenover de bisschoppen, met als gevolg eeuwenlange moeilijkheden en strijd.
Afzijdig van deze strijdgebieden bevond zich in het zuidwesten van Drenthe een heerlijkheid Ruinen. Deze heerlijkheid heeft zich in een veel rustiger bestaan kunnen verheugen."
Letterlijke citaten zijn grotendeels als annotatie overgenomen, wegens het familierelatie bewijs dat in de tekst beschreven staat.2J.W. Schaap, De heren van Ruinen en hun heerlijkheid, 1981, kol. 276, 4-7-1291.
1J.W. Schaap, De heren van Ruinen en hun heerlijkheid (Nederlandse Leeuw CD-Rom, ISBN 90-800382-8-8), 1981, kol. 279, Abt--1285, Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde, Postbus 85630, 2508 CH 's-Gravenhage.
"De bisschoppen van Utrecht hadden in de hoge en late Middeleeuwen een sterke band met Drenthe. Tijdens het episcopaat van Herbert van Bierum (of wellicht: van Wierum, 1139 - 1150) stelde de bisschop zijn ene broer Lefferd aan tot prefect van Groningen en de omringende Noorddrentse gebieden en een andere broer Lodolf tot prefect van Coevorden met jurisdictie over de rest van Drenthe. De Coevordense prefecten en de groeiende stad Groningen stelden zich steeds onafhankelijker op tegenover de bisschoppen, met als gevolg eeuwenlange moeilijkheden en strijd.
Afzijdig van deze strijdgebieden bevond zich in het zuidwesten van Drenthe een heerlijkheid Ruinen. Deze heerlijkheid heeft zich in een veel rustiger bestaan kunnen verheugen."
Letterlijke citaten zijn grotendeels als annotatie overgenomen, wegens het familierelatie bewijs dat in de tekst beschreven staat.
1J.W. Schaap, De heren van Ruinen en hun heerlijkheid (Nederlandse Leeuw CD-Rom, ISBN 90-800382-8-8), 1981, kol. 275 - 276, Abt--1220, Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde, Postbus 85630, 2508 CH 's-Gravenhage.
"De bisschoppen van Utrecht hadden in de hoge en late Middeleeuwen een sterke band met Drenthe. Tijdens het episcopaat van Herbert van Bierum (of wellicht: van Wierum, 1139 - 1150) stelde de bisschop zijn ene broer Lefferd aan tot prefect van Groningen en de omringende Noorddrentse gebieden en een andere broer Lodolf tot prefect van Coevorden met jurisdictie over de rest van Drenthe. De Coevordense prefecten en de groeiende stad Groningen stelden zich steeds onafhankelijker op tegenover de bisschoppen, met als gevolg eeuwenlange moeilijkheden en strijd.
Afzijdig van deze strijdgebieden bevond zich in het zuidwesten van Drenthe een heerlijkheid Ruinen. Deze heerlijkheid heeft zich in een veel rustiger bestaan kunnen verheugen."
Letterlijke citaten zijn grotendeels als annotatie overgenomen, wegens het familierelatie bewijs dat in de tekst beschreven staat.